Laatste update van deze site: 28 mei 2017.
BedrijfseconomischeBegrippen.nl
BedrijfseconomischeBegrippen.nl
Synoniemen, homoniemen,
misconcepties, en anglicismen
  A     B     C     D     E     F     G     H     I  
  J     K     L     M     N     O     P     Q  
  R     S     T     U     V     W    X/Y     Z    
Home: bedrijfseconomische-begrippen.nl
ook: bedrijfseconomische-modellen.nl
  en: vakdidactiek-bedrijfseconomie.nl

Bedrijfseconomische termen: I

  
Indexpagina

Immateriële vaste activa

Impairment

Incidentele baten

Indexoptie

Indirecte kosten

Industrie

Inflatie

Informatie

Inkomen

Inkomsten

Inkoopkosten

Inkoopprijs

Inkoopuitgaven

Inkoopwaarde afzet

Inkoopwaarde inkoop

Inkoopwaarde omzet

Input financiering

In-role gedrag

Installatiekosten

Installatie-uitgaven

Institutionele belegger

Integrale kostencalculatie

Integratie

Interest

Interestbaten

Interestfactor

Interestkosten

Interestlasten

Interestresultaat

Interestvoet

Interest vreemd vermogen

Interne verslaggeving

Intrinsieke beloning

Intrinsieke motivatie

Intrinsieke waarde

Introductieprijs

Inventaris

Inventariseren

Investeerder

Investeren

Investering

Investor Relations

  Top Omhoog Top
 

Vakdidactische termen     

Instructietechnische notie

Integreren

  Top Omhoog Top
 

Afkortingen                        

IAS

IASB

IASC

IFRIC

IFRS

IFRS-jaarrekening

IFRS-openingsbalans

IFRS-regels

IFRS-reporting-date

IFRS-transitiedatum

IOSCO

IPO

IR

  Top Omhoog Top
 
  

Omschrijving begrippen met een I

Immateriële vaste activa  Top
  1. Vaste activa die bestaan uit niet-tastbare kapitaalgoederen, zoals goodwill en geactiveerde bedragen. De term is wettelijk voorgeschreven voor BV’s en NV’s om hun balansposten te rubriceren {Externe Verslaggeving}.

    Zie ook: bedrijfseconomische-modellen.nl. De post staat naast de materiële vaste activa en de financiële vaste activa.

  2. Een niet identificeerbaar, niet-monetair actief, zonder fysieke gedaante dat bruikbaar is voor productie, aflevering van goederen, voor verhuur aan derden of voor administratieve doeleinden.

    Voorbeelden zijn: merknamen, uitgavenrechten, computersoftware, licenties en franchises, octrooien, copyrights, recepten, formules, modellen, ontwerpen en prototypes. Dit alles in gereedheid of in ontwikkeling. (Handboek Jaarrekening 2005)

  3. Wettelijke opsomming van categorieën (art. 2: 365 BW): kosten oprichting en uitgifte aandelen, kosten van onderzoek en ontwikkeling, kosten van verwerving van intellectuele rechten, kosten van goodwill en vooruitbetalingen.
Impairment (Anglicisme)  Top
Vergelijking van de boekwaarde van materieële of immateriële activa met de reële waarde die deze activa hebben. Een van de maatstaven daarvoor is fair value.

Als de fair value lager is dan de boekwaarde moet een afboeking van de activa plaatsvinden ten laste van de resultatenrekening.

Incidentele baten  Top
Winst die behaald is bij de verkoop van vaste activa of andere voordelen die zich niet systematisch, maar af en toe voordoen.

De incidentele baten kunnen direct toegevoegd worden aan het eigen vermogen of eerst toegerekend worden aan een periode zodat ze op de resultatenrekening verschijnen.

In principe staan baten tegenover lasten of kosten, maar bij incidentele baten heeft er al een saldering plaats gevonden. Zodoende kunnen er ook incidentele verliezen kunnen zijn.

Indexoptie  Top
Optie waarbij de beursindex de onderliggende waarde is. Het gaat om het verschil tussen de feitelijke waarde van de beursindex op een afgesproken datum in vergelijking tot de uitoefenwaarde van de beursindex die is afgesproken in de optie-overeenkomst.

Indexopties zijn Europese opties: uitoefening is alleen mogelijk op de afloopdatum.

Indirecte kosten  Top
Kosten die niet direct aan de eenheden product kunnen worden toegerekend, of waarvan de directe doorberekening te veel werk vraagt en dus te kostbaar zou zijn.

Voor de doorberekening kan men gebruik maken van Activity Based Costing of van de opslagmethode.

In de kostenverbijzondering kent men naast de indeling directe / indirecte kosten ook de indeling constante / variabele kosten {Kostencalculatie}.

Industrie  Top
  1. Productie van goederen met behulp van vaste activa.

  2. Bedrijfstak (Angliscisme).
Inflatie (opblazen, groter worden)  Top
  1. Toename van het nationaal inkomen als gevolg van toename van het nationale product, waarbij de stijging van de prijzen oorzaak kan zijn maar ook de stijging van de geproduceerden goederen {Monetaire Economie}.

  2. Algemene stijging van de prijzen {Volksmond}.

  3. Gemiddelde stijging van de prijzen, meestal gemeten op basis van een index voor de gezinscomsumptie {Centraal Bureau voor de Statistiek}. In deze index blijven een aantal prijzen buiten beschouwing, zoals veel tarieven voor overheidsdiensten of belastingen.
Informatie  Top
  1. Antwoord op een vraag op basis van selectie en ordening van data. Een informatiesysteem is iets heel anders dan een database, want een informatiesysteem produceert antwoorden op vragen op basis van data uit de database. {Informatica}

  2. Data die bruikbaar zijn om antwoorden te geven op een vraag, bijvoorbeeld: ‘informatie verzamelen’, of ‘selecteren uit een overvloed aan informatie’ {Volksmond}
Inkomen  Top
  1. Vergoeding die een persoon ontvangt voor geleverde arbeid of beschikbaar gestelde goederen, land of vermogen. De naam van de vergoeding varieert van loon (of salaris) tot huur, pacht of rente.

    Ook winst valt onder inkomen indien het ter beschikking van die persoon staat. Opvallend is dat de term inkomen wel gebruikt wordt bij natuurlijke personen en stichtingen, maar niet bij BV’s of NV’s.

  2. Misconceptie: inkomsten. Deze term slaat op alle geldbedragen die binnenkomen. Dat kan dus ook betrekking hebben op inkomen, maar dat hoeft niet.
Inkomsten  Top
  1. Bedrag dat daadwerkelijk ontvangen is om een overeenkomst af te wikkelen [euro } (vormt dan een begrippenpaar met betaling).

  2. Misconceptie: bedrag dat ontvangen zou moeten worden om een overeenkomst af te wikkelen ontvangsten (vormt dan een begrippenpaar met uitgaven)

  3. Misconceptie: Inkomen verdiend in een periode [euro/periode].
Inkoopkosten  Top
  1. Kosten (zoals transportkosten) die samenhangen met de ingekochte eenheden voor zover die eenheden ook daadwerkelijk verkocht zijn (matching) [euro/periode] {Interne Verslaggeving}.

    Zie ook: bedrijfseconomische-modellen.nl.

  2. Uitgaven die op de balans zijn opgenomen in verband met ingekochte eenheden die nog niet verkocht zijn [euro].

  3. Uitgaven die samenhangen met de ingekochte eenheden, zoals transportkosten, verzekeringen, e.d. [euro] (maar de ingekochte eenheden zelf vallen er niet onder).

  4. Uitgaven die samenhangen met de ingekochte eenheden die toegerekend zijn aan een periode [euro/periode] {Kostencalculatie}.

  5. Misconceptie: inkoopwaarde van de ingekochte eenheden (zie inkoopwaarde inkoop).
Inkoopprijs  Top
  1. Prijs die een handelaar bij inkoop moet betalen [euro/stuk; euro/kg.; euro/liter; euro/uur; et cetera, maar nooit euro].

  2. Misconceptie: inkoopwaarde (bijvoorbeeld: inkoopwaarde van de afzet) [euro/periode].

  3. Synoniem: prijs
 Inkoopuitgaven  Top
  1. Uitgaven voor de inkoop van goederen [euro].
    Synoniem: inkoopwaarde van de inkopen.

  2. Uitgaven voor de bijkomende kosten bij de inkoop van goederen [euro] die als inkoopkosten toegerekend gaan worden aan de afzet.
Inkoopwaarde van de afzet  Top
  1. Afzet vermenigvuldigd met de inkoopprijs exclusief inkoopkosten en BTW {Interne Verslaggeving} [euro/periode].

    Zie ook: bedrijfseconomische-modellen.nl.

  2. Afzet vermenigvuldigd met de inkoopprijsinclusief inkoopkosten en exclusief BTW [euro/periode] {Externe Verslaggeving}.

  3. Misconceptie: inkoopwaarde van de ingekochte goederen in een periode (zie inkoopwaarde van de inkoop).
Inkoopwaarde van de inkoop  Top
  1. Waarde van de ingekochte goederen [euro].

  2. Misconceptie: inkoopwaarde van de verkochte goederen (zie inkoopwaarde afzet).
Inkoopwaarde van de omzet  Top
  1. Afzet vermenigvuldigd met de inkoopprijs exclusief inkoopkosten en BTW {Interne Verslaggeving} [euro/periode].
    Synoniem: het zou consistenter zou zijn om van inkoopwaarde van de afzet te spreken.

  2. Misconceptie: inkoopwaarde van de ingekochte goederen in een periode (zie inkoopwaarde van de inkoop).
Input financiering  Top
Financiële regeling (o.a. gebruikt door de overheid) waarbij het beschikbare budget afhangt van het aantal clienten, studenten of leerlingen dat een instelling heeft ingeschreven op een afgesproken peildatum.

In principe is dit een vorm van financiering die naast andere financieringswijzen kan bestaan, maar die in extrema als enige financieringsvorm is toe te passen.

Bij de input financiering gaat het om het aantal inschrijvingen in de afgelopen jaren op een of meer peildata in het jaar.

Zie ook: lump sum financiering en outputfinanciering
 
In-role gedrag (Anglicisme)  Top
Het gedrag dat in de functieomschrijving is vastgelegd. In een PFP (pay for performance) beloningssysteem vindt salarisbetaling plaats op basis van vergoeding voor het leveren van de activiteiten die in de functieomschrijving zijn vastgelegd.

Nadeel is dat mensen weinig tijd willen besteden aan het extra-role gedrag dat vaak nodig is voor de samenhang in een organisatie.

Installatiekosten  Top
  • Misconceptie: [bedrag gemeten in euro, want deze post komt op de balans als investering] kostenmoet zijn: uitgaven, want feitelijk zijn het installatie-uitgaven.

    Vergelijk ook met andere kosten die geen kosten zijn, zoals: emissiekosten, sloopkosten en transactiekosten.

  • Kosten als gevolg van de toerekening van installatie-uitgaven aan het bedrijfsresultaat van een bepaalde periode [euro/periode].
Integrale kostencalculatie  Top
Systeem van interne kostenbeheersing en bewaking die zich richt op zowel de variabele kosten als de vaste kosten.

Met name in de Europa is deze aanpak populair omdat men hiermee alle werknemers in het bedrijf bewust laat nadenken over de totale kostprijs van een product.

Installatie-uitgaven  Top
Uitgaven voor het plaatsen van een machine die aangeschaft is [euro].

Institutionele belegger  Top
  1. Onderneming die voor grote instituten zoals pensioenfondsen en vermogensfondsen en voor grote ondernemingen beleggingen beheert. De beleggingen die door deze ondernemingen worden beheerd, vormen het overgrote deel van de beleggingsmarkt.

  2. Instelling die gelden krijgt toevertrouwd om die te beleggen, zoals een verzekeringsinstelling, een pensioenfonds of een beleggingsinstelling.

    N.B. Beleggingsfondsen die zich voornamelijk richten op geldmarktinstrumenten (de zogenaamde geldmarktfondsen) worden niet tot de institutionele beleggers gerekend.

  3. De verzamelnaam voor grote, niet-particuliere beleggers zoals beleggingsmaatschappijen en pensioenfondsen.
Integratie  Top
Vergroting van het verkoopassortiment door fases in de bedrijfskolom samen te voegen (tegenhanger van differentiatie dat opslitsing van het assortiment langs de lijnen van de bedrijfskolom in houdt) {Externe Organisatie}.

Zie ook de tegenstelling tussen specialisatie en parallellisatie.

Interest  Top
Een vergoeding voor geleend geld, die achteraf op afgesproken tijdstippen betaald wordt [euro/periode]. De tegenhanger is disconto.

Voorbeeld: iemand leent 1000 euro tegen 6 % per jaar en krijgt dat hele bedrag mee. Daarna betaalt die persoon per maand, per kwartaal of per jaar de vergoeding en uiteindelijk ook het geleende bedrag van 1000 euro.

Synoniem: rente (zij het dat rente een bredere betekenis heeft).

Interestbaten  Top
  1. Interest die verkregen is over uitgeleend geld [euro/periode] {Financiering}.

  2. Saldo van interestlasten en interestbaten als dat positief is [euro/periode] {Kostencalculatie}.

  3. Misconceptie: berekende interest over het totale vermogen.
Interestfactor  Top
Vermenigvuldigingsgetal dat bestaat uit het getal 1 plus het interestpercentage gedeeld door 100 [perunage per periode] {Financiële Rekenkunde}. Dus als de interestvoet 6% is, dan is de interestfactor (1 + 6/100 =) 1,06.

Synoniem: rentefactor.

Interestkosten  Top
  1. Werkelijke interest over het vreemde vermogen toegerekend aan een periode [euro/periode] {Financiering}.

    Synoniemen: betaalde rente {Jaarverslagen}; interestlasten {Bedrijfsadministratie}; interest vreemd vermogen {Bedrijfsadministratie}; rentelasten {Externe Verslaggeving}; werkelijke interestkosten {Interne Verslaggeving}.

  2. Toegestane interest over het totale vermogen [euro/periode] {Kostencalculatie}.

    Synoniemen: berekende interest {Bedrijfsadministratie} en vermogenskosten {Management Accounting}.
Interestlasten  Top
Werkelijke interest over het vreemde vermogen toegerekend aan een periode [euro/periode] {Bedrijfsadministratie}.

Synoniem: betaalde rente {Jaarverslagen}; interestkosten {Financiering}; interest vreemd vermogen {Bedrijfsadministratie}; rentelasten {Externe Verslaggeving}; werkelijke interestkosten {Interne Verslaggeving}.

Interestresultaat  Top
  1. Saldo van interestkosten (2) en interestlasten [euro/periode] {Bedrijfsadministratie}.
    (1a) berekende interest -/- interest vreemd vermogen {Bedrijfsadministratie}.

  2. Saldo van interestbaten (1) en interestlasten.
    Synoniem: interestkosten (1) [euro/periode] {Financiering}.
    (2a) interestbaten -/- interestkosten {Financiering}.
Interestvoet  Top
Het ‘percentage per periode’ dat in berekeningen waarin de interest een rol speelt, wordt meegenomen [% per periode] {Financiële Rekenkunde}. De interestvoet is de basis voor de interestfactor.

Synoniem: rentevoet.

Interest vreemd vermogen  Top
Werkelijke interest over het vreemde vermogen toegerekend aan een periode [euro/periode] {Bedrijfsadministratie}.

Synoniemen: betaalde rente {Jaarverslagen}; interestkosten {Financiering}; interestlasten {Bedrijfsadministratie}; rentelasten {Externe Verslaggeving}; werkelijke interestkosten {Interne Verslaggeving}.

Interne verslaggeving  Top
Berichtgeving over de ontwikkeling van de bedrijfsresultaten (winst en verlies) en de kostenbewaking aan de directie van een bedrijf.

De term intern heeft betrekking op het feit dat het geen informatie voor buitenstanders bevat (zie externe verslaggeving), waardoor het voor de directie vrij staat om een eigen terminologie en een eigen indeling van de informatiestructuur vast te stellen.

Intrinsieke beloning  Top
Beloning die niet in geld wordt uitgedrukt. Voorbeelden hiervan zijn: certificaten, diners en andere cadeaus. Tegenover de intrinsieke beloning staat de extrinsieke beloning. Beide kunnen onderdeel zijn van een systeem van prestatiebeloning.

Intrinsieke motivatie  Top
Motivatie die mensen vanuit zichzelf hebben. Hun ambitie, hun interesse of de voldoening die ze beleven aan het leveren van een prestatie. Tegenover intrinsieke motivatie staat extrinsieke motivatie.

Intrinsieke waarde  Top
  1. De boekwaarde van een bedrijf op basis van de omvang van het eigen vermogen zoals vermeld op de balans [euro] {Externe Verslaggeving}.

    Deze waarde kan afwijken van de beurswaarde, de nettovermogenswaarde, de rentabiliteitswaarde en de verwervingsprijs van een deelneming.

  2. De verkoopwaarde van een optie die gerealiseerd zou worden bij onmiddellijke uitoefening van die optie.
Binnen de bepalingen van IFRS (International Financial Reporting Standards) is inmiddels het begrip reële waarde (fair value) ingevoerd als een betere manier om de actuele waarde van activa vast te stellen.

Dat is namelijk de grondslag waarop alle activa volgens de nieuwe richtlijnen moeten worden gewaardeerd. {Externe Verlaggeving}

Introductieprijs  Top
  1. De prijs waarvoor een nieuw soort product in de winkels wordt geïntroduceerd.

  2. De prijs waarvoor aandelen bij een beursgang naar de beurs gaan, zodat daarna een eerste officiële beursnotering kan ontstaan.
Inventaris  Top
  1. Alle meubilair en apparaten in een winkel die eigendom zijn van de exploitant {Bedrijfsadministratie} [in natura].

    Een ondernemer kan een geldlening aangaan en zijn inventaris in onderpand geven. Hij verleent de geldgever dan het recht om zijn meubilair en apparaten openbaar te verkopen als hij niet aan zijn aflossings- en renteplichten kan voldoen.

  2. Waarde van alle meubilair en apparaten in een bedrijf zoals die bij de kapitaalgoederen aan de debetzijde van de balans worden vermeld [omgerekend in euro].

    Eigenlijk is het een soort verzamelcategorie voor eigendommen die langer dan een jaar meegaan en daarom op de balans komen, maar die nog niet onder een andere balanspost zijn opgenomen.

  3. Overzicht van alle kapitaalgoederen, inclusief debiteuren, voorraden, machines en de aparte post inventaris die op de balans staat [in natura].

    Aan het eind van het jaar inventariseert een bedrijf zijn eigendommen als onderdeel van de afsluiting van het boekjaar.

  4. Waarde van alle kapitaalgoederen, inclusief debiteuren, voorraden, machines en de aparte post inventaris die op de balans staat [euro].

    Aan het eind van een boekjaar inventariseert een bedrijf zijn eigendommen als onderdeel van de afsluiting van het boekjaar.
Inventariseren  Top
  1. Minitieus vastleggen van alle voorraden, auto’s, machines en andere kapitaalgoederen waarover een onderneming het eigendomsrecht kan uitoefenen {Bedrijfsadministratie}.

  2. Vaststellen van de waarde van de inventaris zoals vastgesteld bij het minitieus vastleggen van alle eigendommen van de onderneming {Bedrijfsadministratie}.
Investeerder  Top
  1. Ondernemers die van plan zijn om in een bepaalde regio een bedrijf of vestiging te starten of uit te breiden {Economische geografie}.

  2. Anglicisme: onjuiste vertaling van het Angelsaksische begrip ‘Investor’ dat belegger of financier betekent.

  3. Misconceptie: belegger

  4. Misconceptie: speculant
Investeren  Top
  1. Aanschaffen van duurzame kapitaalgoederen (dus gebouwen en machines).

  2. Vergroten van debetposten op de balans (dus ook vlottende kapitaalgoederen, zoals voorraden en debiteuren, maar ook kasgeld of banktegoed).

  3. Anglicisme: oneigenlijke vertaling van ‘to invest’ dat financieren betekent, ofwel ‘ergens geld in stoppen’.

  4. Misconceptie: beleggen

  5. Misconceptie: speculeren
Investering  Top
  1. Uitgave om duurzame kapitaalgoederen (dus gebouwen en machines) aan te schaffen.

  2. Vergroting van debetposten op de balans (dus ook vlottende kapitaalgoederen, zoals voorraden en debiteuren, maar ook kasgeld of banktegoed).

  3. Een grote uitgave ineens (Volksmond).

  4. Misconceptie: belegging of financiering.

  5. Anglicisme: oneigenlijke vertaling van ‘investment’ dat belegging of financiering betekent, dus iets waar geld is ingestopt.
Investor relations (Anglicisme)  Top
  1. Relaties met potentiële aandeelhouders, analisten of financiers in het algemeen.

  2. Informatie die specifiek beschikbaar wordt gesteld voor mogelijke beleggers (o.a. via internet).

Vakdidactische termen

Instructietechnische notie  Top
Trucje om de uitkomst te vinden, ook al snap je niks van de opgave. Zo is het gegevensadagium een steuntje in de rug of is het uit het hoofd leren van journaalposten een mooie truc om te scoren op het tentamen of examen.

Ook andere helpstrategieën, zoals de ervaring dat het eerst genoemde gegeven meestal nodig is om de eerste stap in een berekening te zetten, kan hulp bieden bij het uitvoeren van een berekening zonder dat daarvoor kennis vereist is.

Kortom ingeburgerde manieren waarop de instructie en de toetsing vorm krijgen, kun je gebruiken als hulpmiddelen bij het uitrekenen van een vraagstuk, maar economisch inzicht leveren ze niet op.

En inzicht is toch de uiteindelijke doelstelling van het onderwijs. Of niet?

Integreren  Top
Samenvoegen van modellen in een poging om samenhang te ontdekken tussen twee bedrijfseconomische modellen.

Vaak gebeurt dit, terwijl het juist de bedoeling is van de auteur om twee systemen als alternatieven naast elkaar te plaatsen.

Het ene model wint dan aan kracht omdat duidelijk is dat er een alternatief bestaat, bij voorbeeld de integrale kostencalculatie wordt duidelijker als je ook weet hoe de variabele kostencalculatie in elkaar zit.

Integratie van modellen die je juist tegenover elkaar moet plaatsen, leidt niet tot meer economisch inzicht maar tot een verkeerde mentale voorstelling.

Deze verkeerde beeldvorming kan leiden tot een reeks van systematische fouten bij het uitvoeren van berekeningen.

Voorbeeld voor een handelsonderneming:
brutowinst = opbrengst verkopen - kostprijs verkopen;
kostprijs =som van alle toegestane kosten per eenheid product;

Conclusie: brutowinst = opbrengst verkopen - afzet x (som van alle toegestane kosten per eenheid product).

En daar gaat het helemaal mis, want dan zit je al dicht bij de nettowinst.
In elk geval al bij het verkoopresultaat.

Tandem voor geliefden
Carelman’s tandem voor geliefden

Afkortingen                        

IAS  Top
  1. International Accounting Standard, Inmiddels verouderde internationale standaard gericht op richtlijnen voor een bepaald terrein van de verslaggeving. Bijvoorbeeld IAS: Fusies en overname {Externe Verslaggeving}.

  2. International Accounting Standards (meervoud): Twee of meer internationale standaarden. Bijvoorbeeld: Alle IAS zijn ... {Externe Verslaggeving}.

  3. Stelsel van internationale standaarden, ontwikkeld door IASC, voorloper van IFRS. Bijvoorbeeld: de bepalingen onder IAS zijn... {Externe Verslaggeving}.
IASB: International Accounting Standards Board  Top
De IASB is sinds 2001 de opvolger van de IASC en organisator van de IFRS (International Financial Reporting Standards).

De IASB is een non-profitfoundation (geen overheidsinstelling) waarin een groot aantal organisaties op het gebeid van verslaggeving vertegenwoordigd is.

Dit in tegenstelling tot de IASC waarin alleen (zes) nationale organisaties voor accountants vertegenwoordigd waren.

De IASB is de toonaangevende instantie in Europa voor de externe verslaggeving. Zusterorganisatie van de FASB uit de Verenigde Staten en de ASB uit het Verenigd Koninkrijk.

Zij werkt nauw samen met de EFRAG (European Financiel Reporting Advisory Group) om via de Europese Verordening de regelgeving vanuit de particuliere sector te verheffen tot overheidsrichtlijnen waar alle Europese staten zich aan moeten houden.

Zie ook www.iasb.org .

IASC: International Accounting Standards Committee  Top
De IASC is opgericht in 1973 door zes nationale organisaties voor accountants om afspraken te maken over internationale accounting standaarden (IAS).

Deze afspraken hadden na de acceptatie door de IOSCO (beurscommissies) een breder kader dan alleen accountants nodig. Daarom is toen de IASB opgericht.

IFRIC: International Financial Reporting Interpretations Committee  Top
De IFRIC is sinds 2001 de opvolger van het SIC (Standing Interpretations Committee). Dit comité is belast met het geven van advies over de interpretatie en toepassing van IAS en IFRS.

IFRS  Top
  1. International Financial Reporting Standard, Internationale standaard gericht op richtlijnen voor een bepaald terrein van de verslaggeving. Bijvoorbeeld IFRS 3: Fusies en overname {Externe Verslaggeving}.

  2. Ontwerp voor een International Financial Reporting Standard. In feite heeft de standaard dan de status van een Exposure Draft (ED).

  3. Standaard die nog niet is omgezet in IFRS, maar als IAS in gebruik blijft tot de inbouw in IFRS is voltooid.

  4. International Financial Reporting Standards (meervoud): Twee of meer internationale standaarden. Bijvoorbeeld: Alle IFRS zijn ... {Externe Verslaggeving}.

  5. Stelsel van internationale standaarden. Bijvoorbeeld: de bepalingen onder IFRS zijn ... {Externe Verslaggeving}. Dit stelsel is vanuit de EU verplicht voor geconsolideerde jaarrekeningen van beursgenoteerde ondernemingen.

    Landen kunnen deze standaarden ook verplicht stellen voor enkelvoudige jaarrekeningen en zelfs voor niet-beursgenoteerde ondernemingen.

  6. Misconceptie:gebruikt als synoniem voor  IAS (International Accounting Standards), dat wil zeggen dat men IFRS noteert, terwijl het eigenlijk om IAS gaat.

    Deze misconceptie vloeit voort uit het feit dat de IFRS weliswaar de opvolgers zijn van de IAS, maar dat nog lang niet alle IAS vervangen zijn door IFRS.
Uitvoerige informatie: zie o.a. International Financial Reporting Standards 2004/2005, een special voer politieke en inhoudelijke ontwikkelingen met betrekking tot IFRS van Deloitte (auteurs R.L. ter Hoeven, C.J.A. van Geffen en E.H. Bos), Uitgeverij Kluwer, Deventer, 2004.

Zie ook: www.deloitte.nl en www.iasb.org .

IFRS-jaarrekening  Top
Een jaarrekening die geheel op basis van bestaande IAS / IFRS richtlijnen is opgesteld. Deze jaarrekening bevat minimaal een vergelijkingsjaar.

Als het om de eerste IFRS-jaarrekening van een onderneming gaat, moet er ook een herschreven versie bijzitten van de oude jaarrekening die nog volgens local-GAAP is opgesteld.

IFRS-openingsbalans  Top
De eerste balans die conform de IFRS is opgesteld. Dit betekent de openingsbalans van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin voor het eerst IFRS wordt toegepast, omdat er altijd een vergelijkend jaar moet zijn.

IFRS-regels  Top
Misconceptie: het gaat om IASB-regels (regels van de International Accounting Standards Board) die als IFRS (met de S van standaarden) bekend staan.

IFRS-reporting date (Anglicisme)  Top
De balansdatum van de eerste IFRS-jaarrekening. Dus die ligt 2 jaar na de datum van de IFRS-openingsbalans.

IFRS-transitiedatum  Top
De begindatum van de vroegste periode die ter vergelijking is opgenomen in de jaarrekening. Dit is de datum waarvoor de IFRS-openingsbalans wordt opgesteld.

IOSCO: International Organisation of Securities Commissions  Top
De International Organisation of Securities Commissions is de internationale organisatie van beurstoezichthouders.

Deze organisatie heeft grote invloed gehad op de acceptatie van internationale accounting standaarden (IAS) die later zijn omgezet in de internationale financiële rapportage standaarden (International Financial Reporting Standards - ofwel IFRS).

Het OISCO werkt nauw samen met de IASB, zodat zij ook via de Europese Commissie uniformering van de internationale verslaggeving kan afdwingen {Externe Verslaggeving}.

IPO: Initial Public Offering (Anglicisme)  Top
Zie: Beursgang van aandelen

IR: Investors Relations (Anglicisme)  Top
IR staat voor: investor relations.

 
Onderwijs-En-Banen
Portal Onderwijs En Banen
 
Bezoekers op deze pagina sinds 27 mei 2017:
24 bezoekers (2 vandaag, 8 deze week, 17 deze maand, 24 dit jaar)
 
De bedoeling van deze website
De website bedrijfseconomischebegrippen.nl is de smartphone-versie van bedrijfseconomische-begrippen.nl.

Zij is gekoppeld aan bedrijfseconomische-modellen.nl en aan vakdidactiek-bedrijfseconomie.nl, maar die websites zijn meer geschikt voor tablet en lap-top.

Deze site is handig voor leerlingen, docenten en beroepspersonen omdat zij inzicht geeft in de manier waarop economen werken met homoniemen, synoniemen, misconcepties, anglicismen en afkortingen.

Vooral opgaven in bedrijfseconomische leerboeken bevatten vaak simpele en daardoor onjuiste begrippenstructuren. Het motto van deze site is dan ook: "Leren omgaan met slordig woordgebruik".

Mocht u tips of hints hebben dan ontvangen wij die graag via de webmaster.
 
Informatie over opleidingen
Universiteiten | Onderwijsportaal
 
Informatie over banen
Banen Per Stad | Vacatures Onderwijs
 
Site van Fons Vernooij: fons-vernooij.nl
Copyright © 1998 by Fons Vernooij e.a.

Wij volgen de Google-policy en zijn niet
verantwoordelijk voor de advertenties van Google en de verwerking van de informatie
(zie: Hoe Google uw gegevens gebruikt).

Registratienummer V.O.F. Adviesbureau CASA: KvK Rijnland: 58884114 / BTW 8532.22.848

Webmaster: Fons Vernooij

Info over privacy en cookies: Privacy-policy

Leveringsvoorwaarden: bijgaand document